De “gewone” transgender 2

Deel II

Door Mik van Es en Jeanine Trip

Op de derde Transgender Informatie Dag in Groningen gaven Jeanine Trip en Mik van Es een presentatie over ‘gewone transgenders’.
Hier volgt de samenvatting van de laatste vijf stellingen in de vorm van een interview met Mik.

Stelling 6 was: Transgenders krijgen geen relatie of houden die niet vast.
Lijkt me lichtelijk overdreven, want zowel jij als Jeanine hebben toch een relatie?

Wij zijn echt niet de enige voorbeelden van t’s met een relatie. Dus dat komt gelukkig ook voor. Toch zijn de cijfers die we verzameld hebben, niet opwekkend. Van de t’s (van 20 tot en met 70 jaar) is 37% gehuwd. Maar normaal is dat 65%. Wanneer je het bent, is de kans dat je gehuwd bent bijna gehalveerd. Kijken we dan naar het aantal scheidingen onder t’s tussen de 20 en 60 jaar dan is dat 25%, terwijl het normaal 9% is. Het aantal t’s dat gescheiden is, ligt daarmee twee en een half keer zo hoog als normaal.
Als je de cijfers bekijkt, zie je dus dat t’s inderdaad minder gemakkelijk een relatie vinden, vermoedelijk omdat ze eerst minder hard zoeken en dat ze vervolgens die relatie veel minder goed kunnen vasthouden.
Als we kijken naar de ongeveer 4 van de 10 t’s die wel een partner hebben, krijgen we het volgende beeld. Bijna de helft (47%) denkt over scheiden. Normaal is dat 8%. Bij 45% denkt de partner over weggaan. Normaal is dat 11%. Bij 33% van de groep t’s met partner is de travestie de reden dat de partner overweegt weg te gaan.
Wat je aan deze cijfers ziet, is dat travestie eerst het krijgen van een relatie tegenwerkt en vervolgens als splijtzwam fungeert. Uiteindelijk is er dus vermoedelijk maar een heel klein percentage t’s dat echt een goede relatie met de partner heeft. 

Hoe komt dat? Heb je daar ideeën over?
Uit de cijfers hierboven zie je dat de partner die travestie als een probleem ziet. Maar vermoedelijk speelt de t zelf ook een grote rol. Door die travestie raakt de t minder op de partner gericht en begint steeds meer zijn eigen gangetje te gaan. 

Stelling 7 was ook al niet echt opwekkend: Transgender en werk gaan niet samen. Jullie zijn geboren zwartkijkers?
Daar lijkt het soms wel op. Maar je weet dat pessimisten het vaak bij het rechte eind hebben.

Wat zijn de cijfers?
We hebben hiervoor twee bronnen. Volgens Vennix (1997) heeft 5% van de t’s door travestie zijn werk verloren. Omdat het overgrote deel van die t’s heel erg in de kast zat, lijkt dat te betekenen dat zodra het eenmaal bekend is, het in de praktijk vaak tot ontslag zal leiden. In dat onderzoek hebben 7 van de 10 (72%) werk. Vennix (2010) geeft aan dat van de t’s die niet aan een transitie zijn begonnen 12% werkeloos is en dat dit voor t’s die de transitie achter de rug hebben 32% is. De eerste groep is vrijwel nooit uit de kast, de tweede groep wel. De transitie maakt de kans op werkeloosheid bijna drie keer zo groot. Van de eerste groep werkt 82%, van de tweede groep slechts 64%.
De stelling dat transgender en werk niet samengaan is dus wat te sterk gesteld, maar het lijkt duidelijk dat post-ops veel vaker zonder werk zitten dan pre-ops en dat die travestie gemakkelijk kan leiden tot verlies van de baan. 

Stelling 8 was: een transgender moet transgender willen en durven zijn. Waarom eigenlijk?
Zo lang t’s zeggen gewoon man te zijn en niet openlijk transgender durven te zijn, valt deze grote groep als transgender weg. Hetzelfde geldt voor t’s die zeggen gewoon vrouw te zijn. Ook zij vallen weg uit de vergelijking. Het resultaat is dat er politiek gezien amper transgenders bestaan. Ze zijn allemaal weggevlucht naar de veilige hokjes ‘man’ en ‘vrouw’. Het is natuurlijk niet alleen een kwestie van willen, het is ook een kwestie van kunnen. Zo lang t’s bij sollicitaties in dit land niet openlijk transgender kunnen zijn, is het geen vrije keus. 

Laten we naar de cijfers kijken die we bij deze stelling gevonden hebben. Van de grote groep non-ops ervaart twee derde het als een last dat men niet open kan zijn bij sollicitaties. Men wil dus wel, maar men kan niet. Bij sollicitaties is 95% van de non-ops niet open. Post-ops zijn iets meer open, maar  67% begint er toch maar niet over.

Drie vierde (74%) van de t’s zorgt ervoor dat niemand in het dagelijkse leven hem van travestie verdenkt. Het zijn mensen die soms zeggen: ‘Van travestie moeten we niks hebben hoor.’
Conclusie: de meeste transgenders willen wel open zijn, maar durven niet open zijn vanwege de mogelijke gevolgen. 

Stelling 9 was: “De maatschappelijke acceptatie van transgenders ligt 50 jaar achter op die van homo’s”.
Onderzoeksmatig is dit een wat moeilijke stelling. Maar toch denken  we een paar gegevens gevonden te hebben.
Allereerst blijkt het zelf aanvaarden van travestie samen te hangen met een LAGER welbevinden. De correlatie is niet heel gigantisch, maar toch wel onmiskenbaar en significant (.28). In theorie zou het zo kunnen zijn dat mensen met een lager welbevinden hun travestie gemakkelijk accepteren, maar dat lijkt niet erg plausibel. Kennelijk ben je dus in onze samenleving beter af als je je travestie maar niet accepteert.
Waardoor dat precies komt, weten we niet. Het kan zijn dat de samenleving moeilijk doet, het kan ook zijn dat het ligt aan wat de t zelf doet. Het kan zelfs een combinatie van beide mogelijkheden zijn. In ieder geval is het een interessante uitkomst.
Een tweede punt is dat als je bij sollicitaties niet-overtuigend overkomt, je het wel kunt schudden volgens de transgenders zelf. Drie vierde (74%) van de door Vennix ondervraagden schat voor een post-op de kans op een baan bij niet overtuigend overkomen in als lager of afwezig.
Probleem bij deze uitkomst, is dat we niet zeker weten of dit klopt. T’s denken dit; het kan dus ook een idee zijn dat t’s zelf geloven.
De hardste gegevens over gebrek aan acceptatie die we konden vinden, komen uit bevolkingsonderzoek van het NISSO: 39% van de mannen vindt dat een man zich als man moet gedragen en 28% van de vrouwen. Vier van de tien mannnen vindt dat je als man een echte kerel moet zijn en drie van de tien vrouwen.
Het kan natuurlijk best zijn dat ze een t niet zien als man. Aan de andere kant zegt het wel iets, denk ik. Als jij je als jongen op school op een vrouwelijke manier presenteert, kun je er dus behoorlijk zeker van zijn dat dat voor vier van de tien mannelijke docenten strijdig is met hun normen over wat hoort. Omdat de beoordeling in het onderwijs vaak nogal soft is, betekent dat op zijn minst problemen. 

Korte minirok
Ik stond laatst op de informatiemarkt van een christelijke scholengemeenschap voor de Transgendergroep Groningen. Het idee was dat de leerlingen zouden zien dat homo’s en transgenders eigenlijk gewone mensen zijn. We hadden een publiek van vooral jongens van zo’n 16, 18 jaar. Om er een beetje flitsend uit te zien, had ik mijn korte, roze minirok aangetrokken. Uit ervaring weet ik dat die bij lesbische meiden goed valt en dan vinden hetero-jongens het meestal ook wel gaaf. En inderdaad hoor ik een paar van die jongens onder elkaar iets mompelen van: ‘… ziet er wel goed uit’.
Een tijdje later hebben we een volgende informatiemarkt op een andere vestiging van die school. De mevrouw die het organiseert, heeft echter een klemmend verzoek aan mij: zo’n korte rok kan echt niet, daar had ze veel over moeten aanhoren. Of ik alsjeblieft dit keer iets langers wilde aantrekken, want die rok gaf echt problemen. Het is de bedoeling voorlichting te geven en niet de bedoeling mensen tegen de haren in te strijken, dus ik trek iets degelijks aan. Zie ik daar meteen de eerste ochtend een van de leerlingen in een net zo’n korte rok. Wat in mijn geval beslist niet kon, kon nu opeens wel. Het verschil zat hem niet in het plaatje. Zij zag er goed uit, ik zag er goed uit. We droegen ook alle twee een niet-doorzichtige panty. Wat je dus ziet is dat ze zelfs voor een t die daar op uitnodiging komt om voorlichting te geven, toch nog steeds strenger kijken dan voor hun eigen vrouwelijke leerlingen.
Stel nu dat je als jongen op die school zit en dat je je graag vrouwelijk kleedt. Ongeveer zoals Andrej Pejic (het mannelijke fotomodel van de Hema pushup-bh) dat kan doen. Kun je dan als leerling uit de kast komen of kun je die vreemde neiging maar beter voor je houden? Als ik daar op uitnodiging niet in een korte minirok kan komen, kun je het als leerling wel helemaal schudden. Dat betekent, dat als we daar voorlichting geven, we dat op zo’n manier moeten doen dat leerlingen begrijpen dat ze vooral niet uit de kast moeten komen. Maar dan kun je je afvragen of je daar als transgenderclub nog wel moet willen staan. De kans is toch groot dat een wanhopige leerling dat juist als signaal oppikt van: zie je wel, het kan hier wel.
We staan daar samen met de homo’s. Kun je op die school uit de kast komen als je homo bent of lesbisch? Ja, die dingen gebeuren daar, dat kan kennelijk wel. Aan dit soort voorvallen zie je dat er nog een groot verschil zit in acceptatie. Het is allemaal heel erg gericht op homo’s en wat transgenders zijn, weet men vaak niet eens. 

Stelling 10 was: “Transgenders zijn te veel gericht op zichzelf.”
Is dit ook weer een stelling die jullie vooral vinden of hebben jullie dit keer ook gegevens?

We beginnen met de travestiemotivatie. Seksuele Opwinding scoort bij 52% van de respondenten van Vennix hoog. Prettig Anders als Vrouw scoort bij 50% hoog. Sociale Contacten als Vrouw scoort bij slechts 18% hoog.
Wat je hier ziet, is dat de motivatie voor travestie vooral te maken heeft met jezelf fijn en prettig voelen en beslist niet dat men graag als vrouw sociale contacten wil leggen.
Laten we dan kijken naar de relatie. Het meest genoemde relatieprobleem is: ‘Ik kan met travestie te weinig kanten uit.’ Dat wordt door bijna de helft (47%) van de respondenten gesteld. Het probleem dat men ziet, is dus niet dat die ander ontevreden is of ongelukkig is. Nee, het probleem is dat men niet vaker in travestie kan zijn.
Het tweede probleem dat door meer dan een derde (34%) wordt opgegeven, is: ‘Mijn partner heeft moeite met mijn seksuele verlangens.’ Het probleem is dus weer niet dat de partner een probleem heeft. Nee, de eigen behoeftes worden niet optimaal bevredigd.
Het derde relatieprobleem dat door 29% wordt gegeven, is: ‘Mijn partner heeft te veel moeite met mijn travestie.’ Niet de eigen travestie wordt als probleem gezien, maar dat de partner daar moeilijk over durft te doen. Ook het vierde probleem, vermeld door 28%, sluit daar naadloos op aan: ‘Ik wil meer vrijheid.’ Het ik staat weer voorop.
Laten we nu naar de gevoelens kijken. Bijna de helft (47%) van de t’s is eenzaam. Voor niet-t’s bedraagt dat 21%. Een gigantisch verschil. Meer dan een derde (36%) van de t’s is vaak neerslachtig. Een op de vijf (22%) vindt het leven vaak zinloos. Voor niet-t’s is dat 13%.
Gevoelens van eenzaamheid krijg je vooral als mensen te weinig sociale contacten hebben. Sociale contacten krijg je niet automatisch, maar door juist daarop gericht te zijn en daar moeite voor te doen. Die sociale contacten dwingen je vervolgens om opgewekt te doen en te zijn. De zuurpruim uithangen is niet erg effectief als je contact wilt leggen. De informatie over de gevoelens wijst er dus ook weer op dat t’s te veel met zichzelf bezig zijn.
Tenslotte hebben we nog gegevens over zelfmoord: 16% heeft zelfmoord-gedachten. Negen procent heeft een poging ondernomen, normaal is 3%. De kans op een zelfmoordpoging is dus drie keer zo hoog. Mensen die zelfmoord-gedachten hebben, zijn sterk gefocust op zichzelf. Ze gebruiken bijvoorbeeld veel vaker dan normaal het woordje ‘ik’.
Ook deze informatie bevestigt de stelling dus weer. T’s willen zich prettig voelen en voor zichzelf opwindend zijn. Sociale contacten komen niet eerst, maar ergens achteraan. Niet hun travestie is het probleem, maar dat ze te weinig gelegenheid hebben om vrouw te zijn. Vervolgens gaan ze zich door het tekort aan sociale contacten eenzaam en depri voelen. Het leven is zinloos. Ze ontwikkelen zelfmoord-gedachten en doen tenslotte in verhouding veel te vaak een poging. 

Is er dan niets positiefs te melden?
Gelukkig wel. We zijn bezig een cursus te ontwikkelen om t’s te leren hun gedachten bij te sturen. Er loopt een onderzoek naar acceptatie. Als transgendergroep geven we nu voorlichting op scholen. Ik mopper wel wat, maar dat is voor het eerst. Nederland is het eerste land ter wereld dat Andrej Pejic gebruikt heeft om een bh te verkopen. En Valentijn de Hingh staat niet alleen in de Italiaanse Vogue, maar heeft ook nog de Elle Style Award gewonnen. Kortom: het taboe is aan het verdwijnen en dat taboe is toch de basis van het probleem. 

Mik van Es

Mik en Jeanine

Bronnen

Bakker, F. & Vanwesenbeeck, I.: “Seksuele gezondheid in Nederland 2006”, Eburon, 2006.
Vennix, P.: “Travestie in Nederland en Vlaanderen”, Eburon, 1997.
Vennix, P.: “Transgenders en werk”, Rutgers Nisso Groep, 2010 (online beschikbaar).

Platform Transgenderinitiatieven Noord Nederland